Bij mijn oma stond het goede servies achter glas. Zesendertig delen, wit met een smalle gouden rand, en het kwam er twee keer per jaar uit: met kerst en als de dominee kwam eten. De rest van het jaar aten we van dikke bruine borden die tegen alles konden. Toen ze overleed, bleek dat servies vrijwel ongebruikt. Geen enkele barst, geen sleetse plek in het goud. Een compleet en volstrekt ongeleefd stel borden.
Ik heb het meegenomen, en ik eet er nu op dinsdag pasta van.
Dat is geen protest tegen mijn oma, want ik snap waar het vandaan kwam. Wie in de jaren vijftig een servies kocht, gaf er een halve maand huishoudgeld aan uit. Voorzichtigheid was toen een vorm van gezond verstand. Maar de gewoonte is blijven hangen in huizen waar de reden allang is verdwenen, en dat is precies waar ik iets van vind. Er staat in Nederland een gigantische hoeveelheid mooi serviesgoed te wachten op een gelegenheid die niet komt.
Wat mij aan het denken zette, was niet een filosofisch inzicht maar een verhuizing. Bij het inpakken kwam ik dozen tegen die ik in het vorige huis ook al niet had opengemaakt. Dat is het moment waarop je jezelf de vraag stelt wat je eigenlijk aan het bewaren bent, en voor wie. Het eerlijke antwoord was: voor een avond die zo bijzonder zou zijn dat hij het rechtvaardigde. Zo’n avond bestaat niet. Er zijn alleen maar gewone avonden, en af en toe eentje die je achteraf bijzonder noemt.
Sindsdien staat het goede spul vooraan in de kast en het gewone achterin. Dat klinkt als een klein huishoudelijk detail, en toch verandert er iets aan een doordeweekse maaltijd als je hem opdient op iets moois. Niet omdat het eten er beter van wordt. Wel omdat je er anders bij gaat zitten. Een bord dat de moeite waard is, vraagt om een tafel die is afgeruimd, en dan schuiven de telefoons vanzelf een stukje opzij. Dat is het hele effect, en het is meer dan ik had verwacht.
Wat er dan werkelijk stukgaat
De tegenwerping komt altijd, en die is redelijk: er sneuvelt iets. Ja. In vier jaar zijn er bij mij twee kopjes gebroken en is er van een schotel een randje af. Dat is de prijs, en die is lager dan ik dacht. Het is bovendien een prijs die je betaalt in ruil voor iets, en niet zomaar verlies.
Er is wel een verschil tussen kwetsbaar en kwetsbaar. Fijn porselein met een beetje dikte in de rand kan enorm veel hebben. Wat werkelijk niet tegen dagelijks gebruik kan, is een echte gouden of platina rand, want die is opgebracht na het glazuren en slijt van agressieve vaatwasmiddelen en van bestek dat er overheen schraapt. Datzelfde geldt voor beschilderingen die je met je vinger voelt: die zitten op het glazuur en niet eronder. Wat voor stuk je in handen hebt, lees je meestal af aan de merktekens onderop, en daar schreef ik eerder over in zo herken je waardevolle vintage merken.
Mijn eigen regel is simpel geworden. Alles met een verguld randje was ik met de hand, in lauw water, en dat kost me per keer twee minuten. Al het andere gaat gewoon in de vaatwasser, op een kort programma en op de lage temperatuur. Wie beweert dat oud porselein per definitie niet in de machine mag, heeft ooit een keer een verkeerd stuk in een te heet programma gezet en daar een wet van gemaakt.
Kastruimte is de echte belemmering
De meeste mensen die het goede servies wegzetten, doen dat niet uit angst maar uit praktisch gebrek aan plek. Twee complete stellen passen nu eenmaal niet in één keukenkast, dus het mooie stel verhuist naar de zolder en daarmee uit je leven. Dat is het punt waarop het misgaat, en het is ook het punt waar de oplossing zit: kies er één.
Ik heb het alledaagse stel weggedaan. Niet in de container, maar naar een neef die op kamers ging. Wat overbleef, is één kast met borden waar ik blij van word, in wisselende maten en niet allemaal van dezelfde herkomst. Dat mengen is trouwens de sleutel, want een half servies dat je durft aan te vullen met wat je tegenkomt, wordt bruikbaarder dan een compleet stel dat je niet mag aanbreken. Hoe je zo’n kast opbouwt zonder een doos van zesendertig delen te kopen, beschreef ik in een servieskast opbouwen zonder complete set.
Het aardige gevolg is dat je bij gasten niets meer hoeft te doen. Er is geen omschakeling, geen zolder op, geen afwasoperatie met stof en dozen. De tafel die er op zaterdag staat, is dezelfde als op woensdag, hooguit met een kaars erbij. Dat scheelt niet alleen werk, het haalt ook de spanning eruit. Mensen die op bezoek komen bij iemand die duidelijk uitgepakt heeft, voelen zich verplicht om het bijzonder te vinden. Bij een tafel die er altijd zo uitziet, schuift iedereen gewoon aan.
Slijtage is niet hetzelfde als schade
Wat me het meest is bijgebleven van dat servies van mijn oma, is hoe nieuw het eruitzag. Ik heb daar lang naar gekeken en gedacht dat dat mooi was. Nu denk ik er anders over. Een bord dat vijftig jaar in gebruik is geweest, heeft fijne krasjes van bestek en een randje dat een tint doffer is. Dat is geen beschadiging, dat is de neerslag van maaltijden. Het is precies wat we bij een houten tafel, een leren stoel of een koperen pan wél mooi vinden, en waar we bij servies opeens moeilijk over doen.
Bij een verzameling die je gebruikt, hoort dus ook een zekere onverschilligheid. Ik houd geen boekhouding meer bij van wat er compleet is. Als er van de zes soepkommen nog vier over zijn, dan eten we soep met vier tegelijk, of dan zet ik er twee andere bij die er niet bij horen en toch prima staan. Wie zijn tafel wil laten kloppen met wisselend spul, heeft vooral baat bij één doorlopende lijn in kleur of materiaal. Daar gaat tafel dekken en tafelstyling verder op in.
Blijft over de vraag wat je dan bewaart voor later. Bij mij is dat een klein stapeltje: twee schalen die van mijn moeder waren en die ik niet wil riskeren, en een set glazen die niet meer te vervangen is. Die staan achterin, en dat is een bewuste keuze en geen gewoonte. Alles wat je bewaart moet je kunnen uitleggen. Kun je dat niet, dan bewaar je het waarschijnlijk voor niemand.
Er komt geen avond die goed genoeg is. Er is alleen deze week, met een pan op het vuur en iemand die honger heeft. Zet de goede borden neer.


